Plusgroep 3 en 4

Regels en afspraken plusklas

1. We mogen / moeten fouten maken om daarvan te leren..

2. We hebben respect voor elkaar en elkaars uitdagingen.

3.We helpen elkaar en geven elkaar kansen

4. We storen elkaar niet tijdens het werk.

4. Wij proberen een probleem te zien als een mogelijkheid om te groeien.

5. We leren om zo zelfstandig mogelijk te werken, bv:

    Eerst zelf proberen om iets op te lossen voordat je om hulp vraagt.

6. We pakken onze eigen spullen en ruimen deze na afloop weer op.

1. Zelfstandig werken

Zelfstandig leren is superhandig. Je kunt het eigenlijk overal bij gebruiken. Hierbij voor jullie een handig hulpje!

1. Wat is de opdracht en hoe wil je dat je werk er uitziet als je klaar bent?

Maak het jezelf niet te moeilijk, maar ook niet te gemakkelijk.

Het moet haalbaar zijn.

2. Oriënteer je.

Zoek uit wat je allemaal moet kunnen, moet weten of doen om de opdracht te maken. Door het stellen van vragen kun je informatie verzamelen. Bedenk vragen die beginnen met wie, wat ,waar, wanneer, waarom (de 5 W’s ) en hoe. 

Bijvoorbeeld:

Wie kan mij helpen of met wie ga ik dit doen? 

Wat moet er gedaan worden en wat heb ik nodig? 

Waar kan ik / wij dat het beste doen?

Wanneer doe ik het en wanneer moet het klaar zijn?

Waarom  kies ik voor dit onderwerp en doe ik het op deze manier?  

Hoe pak ik het aan en waar haal ik mijn informatie vandaan? (Internet, boeken enz).

Klik hier voor het wie-wat-waar-wanneer en waarom werkblad

Schrijf de antwoorden van deze vragen op papier en ga maar lekker aan de slag!

 

2. Project Oerwoud

Jullie krijgen een Oerwoud-lesboekje en een bijbehorend werkboekje.

Je leert op een handige manier informatie opzoeken.

Het lesboekje heeft een inhoudsopgave. Hier kun je de onderwerpen vinden met het nummer van de bladzijde waar het op staat. 

bv: In het oerwoud blz. 3, luiaard blz. 4 enz.

Ook staat er achterin een woordenlijst. In de woordenlijst staat de betekenis van moeilijke woorden. 

Lees de tekst van het les-boekje goed door en beantwoord de vragen die in het werkboekje staan.

  

3. Vakantieverslag maken

Jullie gaan een verslag maken van wat je in de zomervakantie zoal hebt gedaan. 

Dit maken jullie op de computer, want het is erg belangrijk dat je documentjes leert maken. Je oefent hier computer-vaardigheden mee. Dat is een moeilijk woord voor het leren werken op de computer. Ik leg in de les uit uit hoe je dat moet doen.

                                          (witregel)

1. Denk bij een verslag altijd aan de titel. Die zet je bovenaan.

2. Zorg dat je de dingen in de juiste volgorde vertelt.

   Als je op een ander onderwerp overgaat, dan zet je er een witregel (een regel         zonder tekst) tussen.

   Voorbeeld: als je eerst over de autorit vertelt en daarna over de camping, dan

   laat je daar een ruimte tussen.

3. Gebruik een hoofdletter aan het begin van een zin en een punt op het eind.

4. Let erop dat je niet steeds hetzelfde woord of zinnetje gebruikt, zoals; En toen,

   daarna.

Ik ben erg benieuw naar jullie avonturen!

4. Woordspin maken

Woordspin maken

We gaan een woordspin maken en een verhaaltje schrijven over het onderwerp dat je hebt gekozen. 

Hoe maak je een woordspin?

1. Kies je een onderwerp uit wat jouw interessant lijkt en waar je graag wat meer over wilt weten.
2. Zoek informatie over dat onderwerp op in bv. boeken of op Internet.

3. Zet het onderwerp in het midden.

4. Maak aan de pootjes woorden vast die met het onderwerp te maken hebben.

Werk netjes en overzichtelijk

Schrijf op een A-4tje een verhaaltje over het onderwerp en gebruik alle steekwoorden die je in de pootjes van de spin hebt geschreven.

Je mag het verhaaltje op een blad schrijven, maar ook op de computer maken.

Veel plezier!

5. Je toekomst-visie

Tijdens deze opdracht gaan jullie voorspellen hoe de aarde; dus de mensen, de natuur en dieren die er op leven, er over 200 jaar uit zal zien.

 

Schrijf dit op minimaal één half A4-tje. Je mag ook een documentje maken op de computer. 

 

Ik ben heel benieuwd wat jullie visie op de toekomst is.

Veel schrijfplezier!

 

6. Filosofie-potje maken

Jullie hebben vast wel eens tijdens het avondeten de vraag gekregen: ‘En...wat heb je vandaag op school gedaan’. Nou, die vraag is jullie de afgelopen tijd natuurlijk niet gesteld. Maar wel kun je laten zien wat je zoal in de plusklas hebt gedaan. Denk bv. aan filosoferen! Heb je aan tafel ook gelijk een leuk gespreksonderwerp!

Kun je thuis uitleggen wat filosoferen is?

Voor de kinderen van plusgroep 3 en 4: Dat is heel diep nadenken over onderwerpen waar geen vast antwoord op is. Je kunt dus niet zeggen dat iets wel of niet zo is. Ook kun je niet zeggen hoe het in elkaar zit, maar je vraagt je hardop af hoe iets mogelijk zou kunnen zijn. Je geeft dus niet je mening. Denk erom, er is geen goed of fout.

 

Voorbeelden van filosofische vragen

– Kunnen dieren denken?

–Wat is verliefd zijn?

– Heeft het heelal een einde?

 

Bedenk zelf een aantal filosofische vragen

(Dit doen we met elkaar in de plusgroep)

Maak een vragenpotje

* Gebruik hiervoor bv. een leeg jampotje, bloempotje of eventueel een drinkglas.

Wees creatief en maak er iets moois van.

* Hierin stop je de filosofische vragen die je op een strookje papier hebt

geschreven. Zet hem op tafel en pak om de beurt een strookje.

 

Veel plezier met elkaar.

(en vergeet niet om er iets lekkers bij te nemen)!

 

Groetjes,

Juf Paulien

Wiskundeles: coördinaten 1b

Wat voor figuur wordt dit?

Lees hierboven wat je precies moet doen.

Verbind a met b, b met c enz, tot het figuur klaar is.

Wat voor figuur is het geworden?

Succes.

Werk netjes en met liniaal!

wiskunde: coördinaten 2

Wat is dit voor een dier?

 

Als je niet meer zo goed weet hoe je een assenstelsel moet tekenen of coördinaten moet invullen, dan kun je de les van vorige week nog even bekijken.

Klik hier voor de les van vorige week

Teken een assenstelsel, waarvan de X-as  (van links naar rechts),

10 hokjes lang is  en de Y-as (van boven naar beneden), 15 hokjes.

Vul de coördinaten in die op de afbeelding hiernaast staan.

Verbind (trek een lijntje) tussen:

nummer 1 tot en met 24.

Verbind: 23 -25, 25-26, 26-27, 27-28, 29-30 en 29-1.

Teken en kleur het dier in.

Maak een foto en stuur deze naar:

p.schrijver@obsdepoolster.com

Zou je werk in de leerlingengalerij

mogen hangen?

Bekijk de galerij

Wiskunde, coördinaten 3.

Ontwerp je eigen coördinaten-figuurtje

(Maak wel eerst 'thuisopdracht week 22!)

 

1. Maak een assenstelsel van maximaal 15 bij 15 hokjes (cm).

    klik hier voor ruitjespapier

2.. Ontwerp een figuur / dier/ ding.

3. Schrijf  de coördinaten daarvan op.

4. Zet erbij welke coördinaten je aan elkaar moet verbinden.

8. Symmetrie

Symmetrische figuren herkennen

Een figuur is symmetrisch als beide helften gelijk zijn aan elkaar. Als je in het midden een lijn zou trekken en het figuur dubbel zou vouwen, dan is de andere helft precies hetzelfde.
 

Symmetrisch figuur:

 

 

Als je in het midden van deze ster een lijn zou trekken en hem dubbel zou vouwen, dan is de andere helft precies hetzelfde. Deze figuur is dus symmetrisch.

 

Geen symmetrisch figuur:

 

 

Als je in het midden van deze auto een lijn zou trekken en hem dubbel zou vouwen, dan is de andere helft niet hetzelfde. De achterkant van de auto is niet hetzelfde als de voorkant. Deze figuur is dus niet symmetrisch.


Je kunt controleren of een figuur symmetrisch is door de figuur dubbel te vouwen, maar je kunt ook op de middenlijn een spiegeltje plaatsen. Zie je in de spiegel een spiegelbeeld dat precies gelijk is? Dan is de figuur symmetrisch.

Opdracht: Wij gaan zelf een symmetrisch figuur maken op een groot ruitjespapier of een klein ruitjespapier.

In de les krijg je te horen wat we precies gaan doen.

9. Honingbijen

Klik op de afbeelding hiernaast en bekijk het filmpje over honingbijen. Gaat het te snel, druk dan even op pauze, of kijk een stukje terug.

 

Beantwoord de volgende vragen:

Vraag 1: Hoe heet iemand die bijen houdt?

 

Vraag 2: Waarin leeft een bijenvolk bij de imker (meerdere antwoorden mogelijk).

 

Vraag 2: Hoe heet de vloeistof die bijen uit bloemen halen en op welke manier halen ze die

vloeistof er uit?

 

Vraag 3: Wat doen ze met die vloeistof?

 

Vraag 4: Hoe noem je een vrouwtjesbij en wat is haar taak?

 

Vraag 5: Hoe noem je een mannetjesbij en wat is zijn taak?

 

Vraag 6: Hoe kan je de koningin herkennen en wat is haar taak?

 

Vraag 7: Waarvan en hoe worden de cellen van honingraten gemaakt?

 

Vraag 8: Om welke reden maken bijen honing, dus waar gebruiken ze de honing voor?

 

Vraag 9: Wat moet de Imker doen om de honing uit de raten te krijgen?

 

Vraag 10: Waarom zijn bijen zo ontzettend belangrijk voor de natuur?

Honingraat

10. Interview maken en afnemen 

Hoe kan je een interview houden:

  •  Wie wil je interviewen en waarom?

  •  Maak zelf of als je samenwerkt met je groepje, van te voren interview-vragen.

  • Maak een duidelijke afspraak met degene die je gaat interviewen. Vraag ook

       wanneer en hoe laat dit het beste uitkomt

Tip: Maak niet alleen maar gesloten vragen.

Gesloten vragen zijn vragen waar je alleen met ja of nee op kan antwoorden.

Bijvoorbeeld: Vindt u uw beroep leuk? Het beste zijn vragen die beginnen met: wie, wat, wanneer, waar, welke, waarom enz. Dit zijn open vragen. Open vragen zijn vragen waarbij iemand meer uitleg moet geven. Bijvoorbeeld: 'Waarom vindt u uw beroep zo spannend?'

 

  • Schrijf de vragen in goede volgorde op papier. Laat hierbij ruimte open zodat je

       daaronder meteen het antwoord kan opschrijven. Zo is het heel duidelijk welk               

       antwoord

       bij welke vraag hoort.

  • Als je met een groepje werkt dan verdeel je vooraf de taken: Wie stelt de vragen en wie

      schrijft ze op? 

  • Oefen het interview voordat je naar de persoon gaat die je gaat interviewen.

  • Stel jezelf netjes voor aan degene die je interviewt.

  • Praat rustig en duidelijk.

  • Luister goed.

  • Schrijf je antwoord op de vragen in steekwoorden op. Steekwoorden zijn woorden die

       kort beschrijven wat je bedoelt of waar je aan denkt. Bijvoorbeeld: spannend (omdat

       iemand je vertelt dat zijn of haar beroep best spannend is).

  • Vraag om uitleg als je iets niet snapt.

  • Bedank de persoon die je hebt geïnterviewd voor het gesprek.

Interview uitwerken

Werk de vragen en antwoorden netjes uit en lever het in.

 11. Robot ontwerpen en bouwen

 

Ontwerp en maak je eigen robot

Na aanleiding van de film Robots gaan jullie een robot ontwerpen op papier.

1. Maak een bouwtekening van je robot

2. Zorg ervoor dat wat je tekent, ook terug te zien is in de robot die je bouwt.

3. Je robot moet een functie hebben, dus iets kunnen doen. Bv…..

4. Schrijf een handleiding. Hoe werkt hij en wat moet je doe om hem te laten werken. Waar zijn

welke onderdelen voor.

5. Bouw je robot. Gebruik verschillende materialen zoals…

6. Geef de robot een passende naam die past bij zijn functie

 

Heel veel bouwplezier!

12

Fantasie-dier

Wat moet je doen?

Zoek een afbeelding van een dier en plak deze in het midden van een vel papier.

 
Maak hier een woordspin van (zie opdracht 'Woordspin' boven aan deze pagina) en schrijf in 'de pootjes' van de spin de lichaamsdelen van het dier dat je hebt opgeplakt.  Wat voor kop, nek, poten, staart en romp heeft het dier.

Maak op deze manier nog twee woordspinnen.

Teken je fantasiedier door verschillende lichaamsdelen te gebruiken van de dieren die je hebt gekozen voor je woordspin.

 

Nu is je eigen fantasiedier klaar!

Bedenk goed!

Wat ga je doen?
Wat heb je nodig?
Wat doe je eerst en wat daarna?

Boodschappen doen

I’m a paragraph. Double click here or click Edit Text to add some text of your own or to change the font. This is the place for you to tell your site visitors a little bit about you and your services.

13. Boodschappen doen

Download hier het werkblad

Elk stukje langs één hokje is 1 minuten lopen. De slager loopt in 9 minuten naar het postkantoor.

Opdrachten:

1. Naar welke winkel loopt Dick in 9 minuten?

2. De slager gaat naar de supermarkt en naar de bakker en loopt dan zo vlug mogelijk weer naar de          slagerij terug. 

    Hoe lang loopt de slager?

3. Wie woont er het verst van het postkantoor?

    Hoeveel minuten moet er gelopen worden als je de kortste weg neemt?

4. Hoe lang lopen is het langste stuk rechte weg?

5. Dick gaat van huis en loopt langs de buitenste weg rond het dorp tot hij weer thuis is.

    Hij loopt geen enkel stukje weg 2 keer!

    Langs welke winkels of gebouwen komt Dick bij deze rondwandeling?

    Hoe lang loopt Dick er over?

6. Welke opdracht kun jij bij dit werkblad bedenken?

15. Luciferpuzzels

Klik op de doosjes voor de filmpjes van de luciferpuzzels.

Luciferdoosje

Puzzel 1

Luciferdoosje

Puzzel 2

16. Proefjes met huis-tuin en keukenspullen